Ik loop een beetje achter met mijn "gewone" schrijven (fictie) omdat ik de afgelopen weken gewerkt heb aan mijn boek "Gebeten" (biografisch). Ik had één exemplaar van dat boek laten drukken en daar met balpen correcties in aangebracht. Die correcties zijn ondertussen aangebracht. Het is zelfs zo dat bepaalde stukken helemaal zijn herschreven. Ik heb even getwijfeld of ik nu nog eens een exemplaar zou afdrukken of als ik het digitaal zou herlezen. Ik heb uiteindelijk gekozen voor digitaal, al moet ik zeggen dat ik vlugger fouten te detecteer als ik een tekst lees op papier dan wanneer ik die aflees van een scherm.

Ondertussen heb ik natuurlijk wel trouw deelgenomen aan de wekelijkse schrijfopdracht:

23 OKTOBER

Opdracht: Raining Cats and Dogs

Het is herfst en, 'it's raining cats and dogs.' Schrijf een kort verhaal van max. 500 woorden bij dit spreekwoord.

Inzending: Katten en honden

Er werd op de deur geklopt. Ik tuurde door het spionnetje en keek recht in het door de lens vervormde gezicht van mijn schoonmoeder. Mijn nuchtere maag protesteerde, maar ik deed toch open.
‘Het is slecht weer vandaag, dus dacht ik: vanmorgen ga ik eens bij mijn favoriete schoondochter langs. Is er koffie?’
‘Ik ben net aan het zetten,’ zei ik en verdween in de keuken, vloekend op mijn man die op dit eigenste moment in het buitenland in een hotel aan een uitgebreid ontbijtbuffet zat. De koffie was nog aan het percoleren toen er opnieuw op de deur werd geklopt.
Dit keer was het mijn moeder: ‘Met Bruno die op zakenreis is en het gure weer, dacht ik bij mezelf: ik ga mijn liefste dochter wat gezelschap houden.’
Ik installeerde mijn moeder bij mijn schoonmoeder op de bank en zei: ‘Ik heb meer koffie nodig.’
Veel tijd om daar werk van te maken, kreeg ik niet, want nogmaals weerklonk er geklop op de deur.
‘Hallo oma, wat brengt jou hier op deze druilerige woensdagochtend?’
‘Ik had nog wat appeltaart over van gisteren en dacht: mijn lievelingskleinkind zal daar wel een stukje van lusten.’
Terug in de keuken wreef ik over de koffiepot. De Djinn verscheen meteen: ‘Waar kan ik u mee van dienst zijn?’
‘Het regent oude wijven,’ zei ik, ‘en daar hou ik niet van. Ik had liever een ander spreekwoord.’
'Komt in orde!' zei de Djinn, ‘Hou je van huisdieren?’

23 OKTOBER

Opdracht: Setting

Setting is een belangrijk onderdeel van een verhaal. Soms kan het zelfs bijna de vorm van een personage aannemen: het duwt de plot vooruit en staat in verband met het thema. Het is niet zomaar 'de plek waar het verhaal zich toevallig afspeelt', het is meer dan dat.

De opdracht: schrijf een verhaal van 300 woorden waarin een bijzondere setting het belangrijkste onderdeel is van het verhaal.

Inzending: Ademnood

Het is donker en het regent wanneer ik de bushalte bereik. Mijn nieuwe job is uitdagend, mijn kersverse collega’s best te pruimen, maar het is een understatement als ik zeg dat de locatie me tegenvalt. Het kantoorgebouw waar ik werk, is in de late jaren zeventig langs de snelweg is neergepoot. De grote parking en de nabijheid van een afrit werden in de vacature als grote troeven vermeld. Dat er maar twee bussen per uur richting binnenstad reden, stond niet eens in de kleine lettertjes.
In de verte hoor ik het geraas van de auto’s op de snelweg. Het klinkt als het geruis van de zee, ontdaan van elke vorm van romantiek. Ik werp een blik in de richting van het geluid en de schrik slaat me om het hart. Er komt een tsunami op me af. Voor ik kan reageren, word ik meegesleurd door de stroom. Mijn hele lichaam wordt door water omringd. Ik verdrink! Op het moment dat mijn hoofd even boven de vloedgolf komt, snakt mijn lichaam naar lucht. Ik open mijn ogen en zie dat mijn angst een loopje met me nam. Ik sta nog altijd aan de bushalte. Nog 5 minuten voor de bus komt.
Ik hoop het winteruur binnenkort afgeschaft wordt –en niet het zomeruur. Als het dan toch langer donker moet zijn, dan heb ik het liever ’s morgens, wanneer mijn demonen nog slapen. ’s Avonds weet je niet wat je te wachten staat. Alsof de duivel ermee gemoeid is, hapert de straatverlichting. Plots valt het duister als een dik deken over me heen. Ik versmacht! Geknetter overstemt het geplitsplets van de regen als in een strijd tussen goed en kwaad. Het licht overwint. Opgelucht haal ik weer adem. Nog 3 minuten voor de bus komt.
Nu hoor ik geritsel in het struikgewas achter me. Ik probeer zo onopvallend mogelijk achterom te kijken. Voor ik goed en wel zie wat er gebeurt, grijpen ruwe handen me bij de keel. Twee duimen drukken mijn luchtpijp in. Ik stik! Mijn lichaam stoot een gesmoorde kreet uit. Meteen verslapt de greep op mijn hals. Ik knipper met mijn ogen en kijk recht in twee gloeiende kooltjes die vanonder een struik vandaan komen. Het is een grote rat die uit zijn ondergelopen hol ontsnapt. Nog 1 minuut voor de bus komt.
De redding is nabij.

6 NOVEMBER

Opdracht: Een Marsmannetje stuurt een ansichtkaart naar huis

Stel: je bent een buitenaards wezen en landt op deze aarde. Wat zie je?
Probeer het te omschrijven zonder de gangbare woorden te gebruiken.

Inzending: Gestrand

Liefste vrouw,

ik vrees dat ik ergens een verkeerde bocht heb genomen op mijn reis terug naar huis.

Ik ben gecrasht op een plaats waar de lucht nu al zeven omwentelingen grijs is overdag. Er vliegen hier levensvormen rond met twee poten en met zes poten. Enkel bij die met zes poten heb ik enige vorm van intelligentie ontdekt. Ze noemen zichzelf insecten en vertelden me dat ik me op een plaats bevindt die België heet.
Die naam hebben ze zelf niet uitgevonden; ze werd blijkbaar bedacht door de levensvormen die op de grond door elkaar krioelen. Ik zag schepsels met twee, vier, zes en acht poten; andere hadden twee, vier of meer wielen. Ik heb nog niet met die grondwezens durven praten, want de insecten waarschuwden me dat ze heel gevaarlijk kunnen zijn, vooral die met twee poten en die met vier of meer wielen.
‘Wij zijn lunch voor gevleugelden met twee poten en voor beesten met acht poten die ons proberen te vangen in hun web,’ legden ze uit, ‘maar die met hun twee voeten op de grond zijn pas echt gemeen. Ze meppen ons dood, puur omdat ze daar plezier in vinden. Het zijn echte sadisten! Ze besturen ook de creaturen met vier of meer wielen en laten die vaak zo snel rijden dat we ze niet tijdig kunnen ontwijken. Hun inventiviteit om ons te vernietigen is groot, maar echt slim zijn ze niet, gewoon vernielzuchtig. Ooit roeien ze zichzelf uit.’
Mijn ruimteschip is in herstelling in een bijenkorf, maar het zal de eerstkomende manen niet gerepareerd kunnen worden omdat de bijen zich klaarmaken om te “overwinteren”. Ik weet nog niet wat dit inhoudt, maar wees niet ongerust als ik wat langer wegblijf, ik mag al die tijd bij de bijen blijven cocoonen.

Veel liefs en groeten aan de kinderen,
je man,
Mel-o-Mar

13 NOVEMBER

Opdracht: Een plek voor verloren geliefden

Alicja Gecsinska schreef in haar boek ‘Een soort van liefde’ (leestip) veel mooie dingen, waaronder het volgende:
'Er zou een plaats op de wereld moeten zijn waar verloren gelopen geliefden elkaar terug kunnen vinden. Zij die elkaar zijn misgelopen, zij die elkaar uit het oog zijn verloren om wat voor reden dan ook.’

Of het nu in je jeugd was of in je volwassen leven; iedereen heeft wel een uit het oog verloren of misgelopen liefde waar hij of zij met weemoed aan terugdenkt. Of misschien zelfs wel met verlangen.
Schrijf in maximaal 500 woorden hoe de plek die Gecsinksa beschrijft er voor jou uit zou zien en wie je daar ontmoet. Schenk extra aandacht aan de details van de setting. Neem je lezer mee op jouw reis naar deze plek.

Inzending: Waar het verstand niet bij kan

Alle plaatsjes uit zijn jeugd lijken kleiner wanneer hij ze veertig jaar later terugziet. Hij heeft ondertussen bredere lanen gezien, hogere torens, indrukwekkendere bruggen. Hij weet niet wat hem deed beslissen zo’n lange omweg te maken om zo'n godvergeten stadje te bezoeken. Hij had al een pak dichter bij huis kunnen zijn.
‘Wat heb ik hier verloren?’ vraagt hij zich hardop af.
‘Niets,’ antwoordt zijn verstand.
‘Een stukje van mij,’ antwoordt zijn hart.
‘Nostalgie is aan ons niet besteed,’ zegt zijn verstand, ‘Geef het maar toe: je bent je geboortestad al lang geleden ontgroeid.’
Er loopt een koude rilling over zijn rug wanneer zijn verstand die open deur intrapt.
‘Laten we een wandeling maken,’ zegt hij in een zeldzame bui van toegeeflijkheid, ‘Misschien vinden we dat verloren stukje hart alsnog terug.’
Zijn hart springt op en pompt opgewekt bloed door zijn aderen. Hij krijgt er een kleurtje van.
‘OK dan,’ zegt zijn verstand, ‘maar verwacht er niet te veel van.’
Samen stappen ze langs de ene weg naar het kleine stadscentrum en langs de andere weg terug. Een dik half uur later staat al hij terug bij zijn wagen, op een parking die ooit een parkje was. Alleen een oude beuk en eik herinneren nog aan wat ooit was.
‘Ik voel me als een toerist,’ zegt hij, ‘Er is flink wat veranderd in veertig jaar tijd. Ik weet niet of ik me hier nog thuis zou voelen. De gebouwen die bleven herken ik als kende ik ze uit een oud prentenboek.’
‘Zie je wel,’ zegt zijn verstand, ‘Je had hier niets meer te zoeken.’
‘En toch, als we nog even …’ zegt zijn hart, maar het krijgt niet de kans de zin af te maken.
'Het zal nu gauw donker worden,' zegt zijn verstand, 'Het is nog een eind rijden naar huis.'
Voor hij in zijn wagen stapt, luistert hij nog even naar het ruisen van de beuk en de eik die vanuit hun kruin op hem neerkijken.
‘Heb je hem herkend?’ fluistert Beuk.
‘Hoe zou ik hem kunnen vergeten?’ zegt Eik, ‘Zijn initialen staan in mijn huid gekerfd.’
‘Hij is kleiner dan ik me hem herinner,’ zegt Beuk.
‘Dat lijkt alleen maar zo,’ zegt Eik, ‘Wij zijn allemaal gegroeid, maar wij meer dan hij.’
‘Ik herinner me zijn liefje nog. Het was een mooi meisje.’
‘En nu is het een mooie vrouw,’ zegt Eik, ‘Ze woont hier net om de hoek.’
‘Waarom zou hij haar geen bezoekje gebracht hebben?’ vraagt Beuk.
‘Hij is haar vast vergeten,’ antwoordt Eik.
‘Maar zij hem niet,’ fluistert Beuk.
‘Zij hem niet,’ zegt Eik, ‘Ze komt nog af en toe kijken naar hun initialen op mijn stam, mijmerend over wat had kunnen zijn.’
‘Draagt ze nog altijd een stukje van zijn hart in dat van haar?’ vraagt Beuk.
‘Ja,’ antwoordt Eik, ‘maar daar kan hij met zijn verstand niet bij.’