Gisteren zat ik in zaal 8 van Kinepolis Gent, maar was dat voor de verandering eens niet om een film te zien, maar om het Sectormoment Gent Filmstad bij te wonen. Ondertussen las ik ook het document Aanzet Film- en Audiovisuele Kunstenstrategie in Gent, waar ik even een fragment wil uitlichten:

Ik behoor tot de eerste lichting investeerders (en dus aandeelhouders) van het TENT-consortium dat het Wintercircus uitbaat. Ik ben dus redelijk vertrouwd met de innerlijke werking van het consortium en bij momenten kon ik me niet ontdoen van het gevoel dat er tijdens de voorstelling van filmstad Gent een soort cargocult dreigde.
Voor wie niet vertrouwd is met die term leg ik even aan de hand van een concreet voorbeeld uit wat ik daarmee bedoel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden regelmatig goederen gedropt op een Amerikaanse vliegbasis op het eiland Tanna, dat deel uitmaakt van de Melanesische eilandengroep. Die waren bedoeld voor zo'n vijftigduizend soldaten die daar tijdens de oorlog gestationeerd waren. Het spreekt vanzelf dat de leveringen stopten eenmaal de oorlog voorbij was en de soldaten vertrokken waren. Daarop bouwden de eilandbewoners met eenvoudige materialen als hout en riet een compleet vliegveld na, inclusief verkeerstoren met antennes, radio's en koptelefoons. Ze hoopten dat dit tot een aanvoer van goederen zou leiden. Van de techniek die achter de nagebouwde installaties schuilging hadden ze echter geen besef. In de wetenschap wordt dit fenomeen (onder andere door Nobelprijswinnaar Richard Feynmann) cargocult genoemd.
Tijdens het sectormoment werd er regelmatig verwezen naar de bloeiende tech-sector die Gent in een ranking van technologiesteden wereldwijd naar een tiende plaats deed stijgen (naar een vierde plaats in Europa), maar uit de opmerkingen bleek dat slechts weinig van de aanwezigen besef hadden van de mechanismen die onder de motorkap van een initiatief als het Wintercircus zitten. De filmsector moet de fout vermijden die de eilandbewoners van Tanna maakten. Het zou een verspilling zijn om in een 'Gents Wintercircus voor film' te investeren in de hoop dat dit Gent automatisch op de kaart zet als filmstad. Wat Tanna ons leert is dat het niet volstaat een vliegveld na te bouwen en vervolgens te verwachten dat er dan vanzelf goederen zullen volgen.
Wat me vooral opviel tijdens het sectormoment, was de onwetendheid over de financiële fundamenten van een technologiehub. Ik merkte enige afgunst toen er verwezen werd naar de 'Unicorn'-succesverhalen die in de krant komen, maar slechts weinig mensen beseffen hoe hard de tech-business is. Als je kijkt naar het bedrijf dat ik samen met mijn vrouw opbouwde, dan zie je aan de finishlijn misschien een bedrijf dat succesvol was, maar wie de start heeft meegemaakt, weet dat we geen beroep konden doen op extern kapitaal (geen subsidies, geen investeringen van durfkapitalisten of business angels). Ik heb het product dat ik bouwde bijna tien jaar lang gratis verspreid vooraleer ik er de eerste substantiële uitkomsten uit genereerde. Dat is alvast iets wat de technologiesector gemeen heeft met de filmsector: je krijgt het niet cadeau.
Ik pluk opnieuw een paar fragmenten uit de Aanzet Film- en Audiovisuele Kunstenstrategie in Gent:
De filmsector is duidelijk zoekende, maar heeft nog niet ontdekt hoe de technologiesector dit probleem aanpakt. Ik moest glimlachen met de entertainmenttaksen. Dat ballonetje is in de technologiesector al in 1985 opgelaten door Richard Stallman, maar het is nooit iets geworden (lees wat dit betreft A Thite for Open Source: Forever Young). Dat sponsoring zo moeilijk is, is volgens mij (als ik uit eigen ervaring spreek) een gevolg van het feit dat je als 'geldschieter' vaak bekeken worden als 'een zak geld' en niets meer. Dat beneemt algauw de lust tot investeren. Voor alle duidelijkheid: er zijn uitzonderingen; ik wil zeker niet iedereen over dezelfde kam scheren.
Als je het recept van het Wintercircus wil gebruiken, dan moet je een klimaat opbouwen dat uitnodigend is voor investeerders. Dat is er voor de technologiesector, maar niet voor de filmsector. Ik noemde tijdens de Q&A van het sectormoment een overkoepelende organisatie die volgens mij tekortschiet bij naam. Dat ik daarbij ook een specifieke persoon vermeldde, viel niet in goede aarde. Achteraf werd ik hiervoor door een Vlaams Parlementslid 'een lul' genoemd. Ik apprecieerde dat hij dit in mijn gezicht zei; meestal wordt dit enkel achter mijn rug gezegd. In ieder geval: ik heb hem ondertussen uitgelegd waarom ik achter mijn uitspraak blijf staan.
Gent, Vlaanderen of België heeft volgens mij nood aan een paar echte filmfondsen die goed geleid worden (naar het voorbeeld van Smartfin, Fortino, en andere succesvolle durfkapitaalbedrijven).
Veel te veel filmmakers en producenten gaan persoonlijk aankloppen bij mogelijke investeerders, maar ze staan er niet bij stil dat wat ze voorstellen vaak absoluut niet investeringswaardig is. Het is voor een investeerder veel interessanter om in een portfolio van een goede mix van diverse producties te investeren om zo het risico te spreiden. Ik denk dat veel 'sterke schouders' bereid gevonden kunnen worden om in zo'n fonds te investeren, zelfs al brengt het minder op dan een fonds dat puur in technologie investeert. Helaas bestaat er bij mijn weten geen enkel filmfonds dat 'smart money' aanbiedt, zoals een VC dat doet in de technologiesector. Ik weet dat er zoiets bestaat als Tax Shelter, maar dat is totaal niet vergelijkbaar. Als ik het over 'smart money' heb, dan bedoel ik dat de GP's ook omkadering bieden, bovenop de financiële inbreng van de LP's. Ik probeerde dit onlangs uit te leggen aan iemand uit de cultuursector, maar die persoon begreep niet wat langspeelplaten (LP's) te maken hadden met het financieren van film.
Tijdens het Q&A moment citeerde ik Matt Murphy van Menlo VC in een poging uit te leggen waarom zo'n fonds nuttig zou kunnen zijn om arthousefilms te financieren:
Ongeveer 70% van de startups faalt. Van de overige 30% zullen sommige een rendement van 3 tot 5 keer de inleg opleveren, wat als een zeer goed resultaat wordt beschouwd. Toch heeft de durfkapitalist (VC) nodig dat ongeveer 5% van de bedrijven een rendement van 10 tot 100 keer de inleg behaalt om de verliezen te compenseren en voor een aanzienlijk totaalrendement te zorgen. [bron: David Baeza]
Net zoals 70% van de startups falen, brengt het merendeel van de arthousefilms die in Vlaanderen gemaakt worden niet genoeg op om de gemaakte kosten te verantwoorden. Dat is de hoofdreden waarom de filmsector niet kan overleven zonder subsidies. Echter, als je een portfolio samenstelt waarin ook investeringen zitten die wel een groot financieel potentieel hebben, dan kan je daarmee de nood aan kapitaal van arthousefilms lenigen.
Ik had de indruk dat men het hoorde donderen in Keulen toen ik dat uitlegde. Ik had nochtans vermeden om de term LP te gebruiken omdat ik wist dat dit verwarring zou kunnen zaaien. Als ik hetzelfde in het Wintercircus zou vertellen, dan zegt iedereen: 'Waar kom jij nu mee af? Dat weet toch het kleinste kind?'
Een fonds compenseert de verliezen van de bedrijven die falen met de opbrengst van de bedrijven die wel succesvol zijn. Toch vreemd dat de cultuursector die het vaak over 'herverdelen' heeft altijd kijkt naar de overheid, maar niet denkt aan opzetten van een fonds met inbreng van privékapitaal. Zou zo'n initiatief geen mogelijke oplossing kunnen bieden voor de financiële stabiliteit en de duurzaamheid waar zo naar gesmacht wordt?
Op die vraag krijg ik al te vaak het antwoord: 'Nee, dat is niet mogelijk.'
Mijn antwoord is: 'Met de juiste visie kan het wel, maar het zal niet gemakkelijk zijn.'
Mijn vrouw en ik kochten in 2021 de gebouwen van de Gentse arthousecinema Sphinx met de bedoeling die grondig te renoveren. Die werken gaan volgend jaar van start. We zullen daarbij een groot respect aan de dag leggen voor het verleden, maar tegelijkertijd het gebouw klaarmaken voor de toekomst. Toegankelijkheid is van groot belang. Een van de problemen waarmee we geconfronteerd werden bij het (rolstoel)toegankelijk maken, was het feit dat de voorbouw niet aansluit op de achterbouw. Er zijn overal hoogteverschillen met een wirwar van trapjes als gevolg. Daarom hebben we beslist alle vloeren tussen de achtermuur van het café en de gevel van de Jan Van Stopenberghestraat te slopen. Dat laat ons toe vertikaal een duidelijk leesbare trap en een lift te voorzien en horizontaal de voorbouw met de achterbouw te connecteren. Er komt in het achterste gedeelte een staalconstructie in de plaats waarin vijf bioscoopzalen passen. Vanuit die zalen is er verbinding mogelijk naar ruimtes aan het voorste gedeelte. Het verhuizen van zaal 4 en 5 naar het dak, heeft als voordeel dat we de voorkant zichtbaarder kunnen maken in het stadsbeeld. Als je 's avonds in het donker op de Korenmarkt staat, dan zie je niet dat de Sphinx een bioscoop is omdat de gevel 'onzichtbaar' is door de verduisterde ramen.
We hebben de gebouwen van de Sphinx gekocht vanuit een duidelijke visie en die zijn we nu aan het uitvoeren.
In de filmsector is duidelijk een soortgelijke hernieuwbouw nodig.
Als je het document leest dat op het sectormoment werd voorgesteld, dan lees je:
Ik vind het niet erg om 'een lul' genoemd te worden als ik man en paard noem bij mijn oproep om een aantal (figuurlijke) vloeren te slopen, waardoor er een nieuwe structuur in de plaats kan komen die zorgt voor meer connectie. Indien goed ontworpen kan een ingrijpende verbouwing van een aantal organisaties voor meer zichtbaarheid zorgen. Bovenal kan ook de toegankelijkheid en duurzaamheid verbeterd worden.
De sleutel tot dit alles is innovatie. Innovatie vergt vaak disruptie. Disruptie betekent verandering.
Hoe hard is de filmsector bereid om verandering te omarmen? Is de visie er? En als die er is, is er voldoende moed om die visie in daden om te zetten?